Historiek Sporting Ternat : 1950 - 1960
Op 1 mei 1950 werd het huidig Sporting Ternat gesticht door Damiaan De Saedeleer, Léonard De Baerdemaecker, Robert Vandemaele, Frans Nieuwlandt, Remi De Ras en Remi Van Vaerenbergh. Damiaan De Saedeleer, Dam van smisser, werd voorzitter van de club, met Remi De Ras als secretaris en Frans Nieuwlandt, de slinken, als penningmeester.
De zopas opgerichte club had enige wortels in het naoorlogse "Sparta Ternat", maar ook en vooral in een liefhebbersclubje dat opgericht was in 1947 vanuit de kajottersbeweging. Deze laatste club was spontaan gegroeid rond Theofile Boeykens, den boy. Zij had onder meer als spelers : Maurice De Wit, Wilfried Cooremans, Jean Willems, Armand Kestens, Gust De Vits, Georges Van Hemmes (Georges van Camille), François van Rampelbergh (de fa), Louis De Saeger, Lucien De Geyndt, Willy Moens, Willy Thyssens en Pierre Pauwels. Het vriendenkransje speelde in het begin sporadisch vriendschappelijke matchen in de directe omgeving van Ternat.

Vanaf 1949 werd deelgenomen aan een heuse competitie in een voetballiefhebbersverbond. Theophile Boeykens was intussen vervangen als voorzitter door Léonard De Baerdemaecker; hijzelf bleef echter wel actief als secretaris. Willy Moens was schatbewaarder geworden. De kersverse ploeg kaapte reeds in 1950 een kampioenstitel weg in zijn liefhebbersverbond. Het lokaal was gevestigd in de herberg bij Janneke blok aan de hoek van de Keizerstraat met de B. Verbruggenstraat op wandelafstand van hun eerste veld aan de Keizerstaat. Kleedkamers waren echter op dat ogenblik nog niet voor handen. Als de weersomstandigheden het toelieten kleedden de spelers zich om op het veld onder de supporters. Als het weer tegenviel werd beroep gedaan op de gastvrijheid van de buren of kleedden sommigen zich thuis reeds om. Bij andere ploegen was de akkomodatie in die tijd niet veel beter. Zo werden onze jongens tijdens een verplaatsing in Scheut ondergebracht in een bierkelder onder de toog in het cafe. Zij kleedden er zich om tussen de vaten kriek en lambik waar ze -voor zover geweten althans- voor één keer wel afgebleven zijn.

Het was oorspronkelijk de bedoeling geweest dat sporting in een geel-witte uitrusting zou spelen, maar toen bleek dat die kleuren uitverkocht waren bij de aankoop van de eerste shirts, werd voor andere kleuren gekozen. Zo kwam Ternat uiteindelijk aan zijn rood-witte kleuren. Deze eerste shirts zouden gesponsord geweest zijn door wijlen Hector De Clerck. Echter uitsluitend de shirts werden aangekocht. Voor de overige voetbalattributen moesten de spelers immers allemaal zelf zorgen. Ook het aantal beschikbare leren ballen was zeer beperkt. Het gerucht gaat dat ze drie in aantal waren waarvan één gekregen van onderpastoor Broos, en dat zelfs af en toe matchen afgelast werden omdat de blazen in het leren omhulsel niet geraakten. Een echte trainer heeft dit embryonaal sporting nooit gehad. Voornamelijk Willy Moens zou belast geweest zijn met het op peil houden van de fysische conditie van de jongens.

Het succes van dit liefhebbersteam is zeker niet vreemd aan de teloorgang van de andere stam van sporting ternat, namelijk "Sparta Ternat". Sparta was op zijn beurt de vrucht van twee teams die tot aan het eind van de tweede wereldoorlog in Sint Katharina Lombeek en Ternat een zeker succes hadden gekend. Voor Lombeek was dat toen Red Star en voor Ternat, het in 1932 opgerichte Sparta . In 1944 kreeg dat Sparta zelfs de hoogste voetbalonderscheiding na de beker van Belgie namelijk "de schaal van Vlaanderen". Beide ploegen fusioneerden in 1945, na de inbeslagname van de Vlaamse voetbalbond door de K.B.V.B., en sloten zich aan bij deze bond onder het nummer 4982.

Bij haar oprichting kon Sporting Ternat het stamnummer bij de K.B.V.B.van de teloorgegane fusieploeg niet overnemen. Er moest dan ook een nieuw aansluitingsnummer worden gevraagd wanneer Sporting Ternat wilde aantreden in een officiéle competitie. Theofile Boeykens heeft deze administratieve klus geklaard en op 16 augustus 1950 werd aan de secretaris van de club, Remi De Ras, uiteindelijk meegedeeld dat de aansluiting van Sporting Ternat was aanvaard. Sporting bekwam het stamnummer 5368.

De liefhebbersploeg geruggesteund door de bestuurs- en sportieve ervaring van een aantal ex-spartanen kon nu aan zijn eigen uitbouw volop beginnen. Onder meer Frans Nieuwlandt speelde daarbij een belangrijke rol; hij was immers tegelijkertijd speler en schatbewaarder toen sporting in september1950 aan zijn eerste officiële competitie begon. De voornaamste titularissen van de ploeg die de competitie aanving in de toenmalige laagste derde provinciale afdeling waren: in het doel Willy Thyssens, achteraan Willy Moens, Gust De Vits, Armand Kestens en Frans Nieuwlandt . Vooraan kwamen André Roelandts, François Van Rampelbergh, Pierre Pauwels(binda), René De Smedt en Georges Van Hemmes meestal aan de aftrap. Velen betreurden op dat ogenblik het vertrek van Louis De Saeger, die één van de grootste beloften was uit het liefhebbersteam, maar die inmiddels aangesloten was bij Racing Mechelen. Hij was naar mijn weten de eerste ternattenaar die ooit in eerste nationale voetbalde. Louis zal echter later in het begin van de zestiger jaren nog terugkeren naar sporting als speler-trainer om tenslotte in de late negentiger jaren ook nog bestuurslid van sporting te worden.

Sporting had inmiddels zijn terrein aan de Keizerstraat moeten verlaten, bij gebrek aan infrastructuur en had nu een onderkomen gevonden aan de Nattestraat. Aan de verpichting om over kleedkamers te beschikken werd voldaan met de oprichting van twee houten barakken, in elkaar getimmerd door vader en zoon De Meyer. Het lokaal was intussen verplaatst van de Café van Blokkes naar de Café Kruikenburg (Bij Camile Roesems) die korter gelegen was bij het speelveld. Tevens maakte de aangenomen zoon van Camille, Georges, deel uit van de ploeg.

Damiaan De Saedeleer was voorzitter van de club tijdens dit eerste competitiejaar, maar Theo Boeykens werd sedert 24 januari 1951 opnieuw secretaris. Jef Mertens kwam Frans Nieuwlandt vervangen als penningmeester sinds 10 september 1951. Theo Boeykens, waarvan voetbal slechts één van zijn vele passies uitmaakte, werd op 5 juli 1951 defintief vervangen als secretaris door Robert Van De Maele (de witte kleermaker). We vinden den boy sedertdien niet meer terug in een uitvoerende functie in het bestuur van sporting. Toch weten we dat hij nog jaren zal opduiken op en rond het speelveld, hetzij als scheidsrechter voor het jeugdvoetbal, hetzij als heetgebakerd supporter.

Tijdens het competitiejaar 1951-52 kreeg Sporting opnieuw te kampen met infrastructuurproblemen. Er werd dan ook tijdens de tweede helft van de competitie noodgedwongen gezocht naar een nieuw terrein. Uiteindelijk kon de club een terrein huren van de weduwe Walckiers-De Leener aan de toenmalige Essenestraat, thans Donkerstraat, grenzend aan de spoorweg.

De verpaatsingen maakte sporting toen reeds met de bus. Dit was in die tijd niet zonder gevaar. Op weg naar een wedstrijd in Eppegem is ooit eens de stuurinrichting van de bus begeven; de chauffeur kon toen kiezen tussen twee plagen. Ofwel reed hij in het kanaal, ofwel knalde hij tegen de huizen; In een vlaag van ongekende helderheid koos hij resoluut voor de huizen en strandde aldus tussen twee paaltjes. Deze keuze behoede sporting voor een menselijke tragedie en Gieleken, de uitbater van de bus, voor een financieel debacle.

In de loop van het seizoen 1953-54 werd het bestuur gewijzigd en werd Albert Raspé de nieuwe voorzitter, Emile Coppens werd zijn secretaris en Léon D'Haese werd de penningmeester. Emile Coppens zou die functie blijven bekleden tot in 1979 en zou ze na het overlijden van Léon D'Haese zelfs een tweetal jaar cumuleren met de functie van schatbewaarder. Tot op vandaag is Miel Coppens niet aleen één van de trouwste supporters van de sporting gebleven, maar daarbij is hij nog steeds een zeer waardevol administratief en sportief raadgever voor elk uitvoerend bestuur. Alzo werd op 12 mei 1954 voor het eerst een oude Sparta-man voorzitter van Sporting. Albert Raspé, postbode in zijn beoepsleven, was immers voorzitter van Sparta geweest tot het einde van de wereldoorlog.

Sporting was inmiddels in 1952, na een zege in een eindronde tegen Kapelle-op-den-Bos met 3-0, gepromoveerd naar 2de provinciale waar het echter een moeizame strijd voor het behoud moest voeren. Dit belette niet dat het dat jaar de leider in 2de provinciale, onze buren uit Asse, het leven extra moeilijk gemaakt had in een derby, die uiteindelijk toch met 2-1 verloren werd. Het behoud zou in 1953-54 verzekerd zijn geworden door een overwinning op Green Star dat het Ternat weliswaar niet al te moeilijk had gemaakt . Toen Ternat maar niet wilde scoren, duwde een speler van Green Star dan ook maar zelf de bal in de goal tijdens een corner-scrimmage. De overwinning werd door spelers en supporters uitbundig gevierd in het clubcafé van Green Star en het feest duurde tot laat in de avond en tot de laatste druppel... bier.

In tweede provinciale werd steeds gevoetbald onder massale belangstelling. Derby's waarbij 1000 toeschouwers aanwezig waren, waren geen uitzondering, De absolute kaskraker van dat ogenblik was een Ternat-Liedekerke waar bijna 2000 betalende aanwezigen waren. Ternat leek voor de gelegenheid herschapen in het tien-an-men plein toen de horden liedekerkse supporters, allemaal met de fiets, afzakten vanuit de Dendergemeente.

Bij de tenoren van de beginperiode waren inmiddels Hubert Broeders (bak), Michel Platteau, André D'Haese, André Roelandt, Ghislain Pletinckx, Rieke De Geyndt, Achiel De Wolf, Jean François, Maurice Roesems (den blanche), doelman Jean De Geyndt, ... bijgekomen. Ook dokter De Vos, die later nog voozitter werd van S.K Lombeek, trad af en toe aan in het ere-elftal. Dit was ook het geval voor Dolfken De Valck die in de zeventiger jaren samen met zijn vrouw Lisken het clublokaal uitbaatte. Beiden stonden altijd klaar met een frisse pint en met een gewillig oor voor elke voetballer en supporter, die zijn ontgoocheling niet kwijt kon na weer een verloren wedstrijd. De onbetwistbare superspits van het ogenblik was nog steeds de Fa, die Ternat tot op het einde van de vijftiger jaren onschatbare diensten zou bewijzen. Noch de Fa, noch het aantrekken van Pierre Figeys, een gewezen Anderlecht-doelman, als oefenmeester heeft echter kunnen beletten dat sporting de tweede helft van de vijftiger jaren moest doorbrengen in derde.

Stilaan kwam in die periode ook een nieuwe generatie voetballers aan bod, die allen gevormd werden door iemand die altijd hoog aangeschreven geweest is in voetbalminnend Ternat, namelijk Jean De Ridder. Van de oude garde bleven toen nog alleen Frans Nieuwlandt en François Van Rampelbergh overeind. Zij werden aangevuld door jong plaatselijk talent zoals in het doel Maurice Thyssens (Maurice van pros), Marcel Rollier, Franske Van Bleyenberg (baliènken) en René Minner. Minner speelde voetbal tot het midden van de jaren zestig om vervolgens schatbewaarder te worden van de club en tenslotte voorzitter. Van Minnerke was geweten dat hij een behoorlijke middenvelder is geweest maar ook dat hij dat graag combineerde met een glaasje en een dansje. Vaak kwam hij dan ook van de balzaal naar de kleedkamer. Zo zou hij na één van zijn nachtelijke escapades eens de liedekerkse doelman niet alleen getracteerd hebben op twee doelpunten, maar tevens met de resten van het nachtelijke bier op zijn keepersshirt.

De ploeg had in die jaren ook een behoorlijk uitgebouwd en gestructureerd bestuur met figuren die nog voor jaren in Ternat het beleid voor en achter de schermen zullen bepalen. We denken hierbij vooral aan Gust De Vits, Jean Rollier, Gustaaf Mattens, Guillaume Hellinckx, Emile Coppens, Albert Rogiers, Henri Convents, Roger Saerens, Raoul Solheid, Raymond Mattens (Raymond de coiffeur), ... Dit bestuur zal ook voor altijd verbonden blijven aan de organisatie van sportfeesten waar lokale sportcorifeeën zoals Frans Nieuwlandt en Jean De Ridder zich lieten intervieuwen door gekende jourrnalisten van de dagbladpers. Deze avonden werden meestal nog extra opgeluisterd met de aanwezigheid van grote nationale sporters zoals Jef Mermans of Rik Van Steenbergen. De grootste verdienste van dit bestuur is nochtans dat onder haar heerschappij de jeugdwerking van sporting definitief werd op gang getrokken. Aldus werd in 1956-57 een scholierenelftal opgestart, in 1959-60 een juniores-elftal en in 1960 een kadettenploeg.

Desalniettemin ontving dit dynamisch bestuur in 1957 de onheilstijding dat haar veld gelegen aan de huidige Donkerstraat bij de spoorweg, niet langer beschikbaar zou zijn. De eigenares zou haar gronden willen verkopen aan het metaalverwerkend bedrijf de N.V. Preflex. Voorzitter Albert Raspé, oud-leerling van de broederschool en zeer goed bevriend met broeder Florent, bepleitte noodgedwongen de zaak van de sporting bij de broeders. Het overleg voor de aanleg van een nieuw veld zou heel wat voeten in de aarde gehad hebben, maar werd toch succesvol afgerond aan de vooravond van het voetbalseizoen 1958-59. Het leverde aan Broeder Florent zowat de titel op van patroonheilige van sporting ternat. Hij hield er een foto aan over in het clublokaal tot op de dag van vandaag, Sporting kon mede dank zij hem over een terrein van de broeders beschikken vanaf 1 september 1958 gelegen aan de hoek van de T'Serclaesstraat en de Stationsstraat.

Het terrein werd tot voor kort gebruikt als stort voor het gemeentelijk huisvuil en de inrichting van het speelveld vereiste dan ook belangrijke aanpassingswerken waarbij zelfs kranen en bulldozers aan te pas kwamen. De financiering daarvan was niet altijd evident en vele sympathisanten moesten dan ook in hun eigen portomonee tasten. Het stade Léon D'Haese, genoemd naar de in 1956 overleden penningmeester van de Sporting, werd officieel geopend op 28 september 1958. De opening was een gemeentelijke gebeurtenis die van een ruime belangstelling kon genieten en zelfs de zegen genoot van de toenmalige pastoor E.H. Lepoutre. De aftrap van de eerste match werd gegeven door de toenmalige burgemeester van Ternat, dokter Evenepoel.
Het stadion was van in het begin uitgerust met drie kleedkamers in betonplaten met een dak van golfplaten. Toch moest gewacht worden tot het seizoen 1961-62 alvorens de club kon beschikken over een eigen cantine. Deze cantine is later de plaats geworden waar nog menige nederlaag weggespoeld werd met het schuim van bier en talloze discussies over slecht en goed spel uiteindelijk werden beslecht met het betalen van een laatste pint.

© Ronald Parys - Sporting Ternat van 1950 tot 2000, Kroniek van een voetbalploeg.

 
Related Pages
 
Historiek 1950 - 1960
 
Historiek 1960 - 1970
 
Historiek 1970 - 1980
 
Historiek 1980 - 1990
 
Historiek 1990 - 2000